Schouderinstabiliteit

Anterieure instabiliteit, Posterieure instabiliteit, Inferieure instabiliteit, Multi-directionele instabiliteit, subluxatie van het schoudergewricht, dislocatie van het schoudergewricht

Wat is schouderinstabiliteit?

Schouderinstabiliteit is een relatief veel voorkomende blessure die gekarakteriseerd wordt door slap/zwak bindweefsel (ligamenten en gewrichtskapsel) rondom het schoudergewricht. Dit zorgt voor een vermindering van de stevigheid van het schoudergewricht met overmatige bewegelijkheid als gevolg.

Het schoudergewricht bestaat uit een bol (kop van de bovenarm) en een kom (het schouderblad). Rondom de bol en de kom bevindt zich sterk bindweefsel, genaamd het gewrichtskapsel. Dit gewrichtskapsel zorgt samen met de omliggende ligamenten (banden) en de rotator cuff spieren (spieren die over het schoudergewricht lopen) voor stevigheid en dus stabiliteit.

Wat zijn tekens & symptomen?

Veel mensen met deze blessure hebben vrij weinig klachten. Wanneer er sprake is van een niet-traumatische schouderinstabiliteit, kunnen de eerste klachten schouderpijn of schouder subluxatie zijn bij bepaalde activiteiten. Deze instabiliteit ontstaat gradueel door herhaalde grote bewegingen van de schouder (zoals werpen of zwemmen). De oorzaak kan liggen in de slechte techniek of algemene laxiteit. Deze vorm ziet men vaak terug bij zwemmers, honkbal pitchers, tennisspelers etc.

In de meeste gevallen is er sprake van traumatische schouderinstabiliteit, er is een duidelijk pijnlijk incident geweest dat de schouder gedeeltelijk of volledig heeft gedislokeerd. Het incident bevat vaak een gecombineerde beweging van de arm zijwaarts naar boven (abductie) en de handpalm naar boven/buiten draaien (exorotatie). Dit zijn situaties zoals het vallen op een gestrekte arm of direct op de schouder, zoals in de rugby- of voetbalsport. Na het incident ervaart men vaak pijn bij bepaalde activiteiten of pijn tijdens rust (voornamelijk 's nachts en 's morgens vroeg). De schouder voelt simpelweg 'anders'.

De diagnose kan worden gesteld door een fysiotherapeut of een arts. Een MRI, RX scan, Ultrasound of CT scan kan in sommige gevallen nodig zijn om de diagnose te bevestigen en schade aan andere structuren uit te sluiten.

Hoe wordt het behandeld?

De meeste personen genezen goed met adequate fysiotherapie en zijn binnen weken tot maanden terug op hun oorspronkelijke (activiteiten)niveau. Indien deze blessure langdurig aanwezig is en men last heeft van herhaalde subluxaties of dislocaties, kan chirurgische interventie nodig zijn. Deze chirurgische interventie zal worden opgevolgd door een intensief revalidatie programma. Wanneer er naast deze blessure schade is aan zenuwen, kraakbeen of bot zal de revalidatie langer duren. De fysiotherapeut analyseert welke factoren bijdragen aan het ontwikkelen van de blessure en zal deze met behulp van oefentherapie corrigeren.

Het succes van het behandelen van deze aandoening wordt sterk bepaald door de samenwerking met de patiënt. Dit voornamelijk omdat het belangrijk is dat de patiënt het schoudergewricht NIET provoceert en dus geen bewegingen uitvoert die de pijn doen toenemen. Activiteiten die niet mogen worden uitgevoerd zijn: werpen, zwemmen, bench press, dips of military press. Oefenen met pijn moet worden vermeden. Deze benadering blijft van kracht totdat de patiënt klachtenvrij is. Indien het schoudergewricht meer rust krijgt, kan het lichaam het helingsproces inzetten.

Het negeren van symptomen/klachten kan er voor zorgen dat het probleem chronisch wordt. Een onmiddellijke, gepaste behandeling is essentieel voor snel herstel. Wanneer de aandoening eenmaal chronisch is, verloopt het helingsproces veel trager en is de kans dat de aandoening in de toekomst opnieuw optreed groter. Wanneer er bij traumatische schouderinstabiliteit ondanks de fysiotherapeutische interventie frequente subluxatie of dislocatie van de schouder optreedt, kan chirurgische interventie geïndiceerd zijn.

Tijdens de fysiotherapeutische sessie kunnen verschillende behandelstrategieën worden aangeboden, waarbij oefentherapie de basis zal zijn. De oefentherapie is gericht op het versterken van de schouderstabilisatoren (rotator cuff spieren), het schouderblad (scapula) en de houding-spieren. Bijkomende handelingen kunnen zijn: weke delen massage, stretchen, gewricht mobilisaties, manipulatie (manuele therapie), aanpassen van activiteiten, biomechanische correctie, Medical taping, easytaping etc. De fysiotherapeut werkt gecombineerd 'hands-on' en geeft advies en sturing in welke oefeningen het beste zijn voor de patiënt en welke stretches niet mogen worden uitgevoerd. Hierin is de samenwerking tussen de fysiotherapeut en de patiënt erg belangrijk. De klachten die tijdens activiteiten optreden dienen niet genegeerd te worden. De patiënt dient voldoende relatieve rust te nemen, zodat er niet meer schade optreedt en het herstelproces niet belemmerd wordt. Samen met de fysiotherapeut zal een opbouwend behandeltraject worden opgesteld.